3e Brief aan de directeur,
26 mei 1999

Beste Cees,

Wat nu, Cees? Ziek? Kom ik van vakantie terug, ben jij opeens ziek geworden. Een darmin-fectie hoorde ik? In het ziekenhuis gelegen? Heel vervelend voor jou en je gezin. Een mens is namenlijk nooit in zijn eentje ziek. Als binnen een gezin of relatie iemand ziek wordt, is men eigenlijk allemaal een beetje ziek.

Gelukkig was je er al weer snel uit, maar toch! Tegenwoordig houden ze patiënten in een ziekenhuis dan wel niet langer dan absoluut noodzakelijk, maar dat wil nog niet altijd zeggen dat je geheel genezen naar huis gestuurd wordt. Maar je bent tenminste weer bij je familie. Hoe belangrijk familie is, ervaar je eigenlijk pas als je thuis komt. Volgens mij heb jij zoiets ook met onze sector. Het enige voordeel dat ziek zijn heeft is dat, als je eenmaal beter bent je weer naar huis kan. R.O.B. is ook een beetje jouw thuis. Mensen merken dat. Tenminste, ík merk het, en als ík iets zie, ga ik er van uit dat iedereen het ziet.
Al voor mijn vakantie beloofde ik je om je nog eens te schrijven, dus…..

Best leuk toch, brieven schrijven. Voor je het weet wordt het een gewoonte. Eigenlijk hoeft een mens alleen maar z’n ogen en oren open te houden. De informatie die je te verwerken krijgt? Onvoorstelbaar. Maar die informatie hè, die wil je delen. Die wil je kwijt. ‘t Is alleen jammer dat mensen zo slecht luisteren. Niet iedereen heeft zoveel geluk als ik, Cees. Ik heb jou. Natuurlijk heb je het ongelooflijk druk. Luistertijd is voor jou beperkt. Maar! Jou kan ik schrijven. Wat een mazzel. Iemand om naar te schrijven. Mijn eigen penvriendje. Kan ik mijn verhalen kwijt. Want er gebeurt heel wat in de wereld.

Voor ik aan al die verhalen begin lijkt het me wel aardig om wat mensen aan je voor te stellen. ’t Lijkt me niet onredelijk om dan maar met mijzelf te beginnen. Ik ga je niet vertellen dat ik Ton van Dongen heet, want dat weet je al. Onnodig dus. Doe ik dan ook niet. Wat ik wel vertellen wil is, dat ik niet zomaar schrijf dat thuiskomen belangrijk is. Ervaring Cees. Al op mijn dertiende jaar heb ik een half jaar op bed doorgebracht, waarvan het grootste gedeelte in het ziekenhuis. ‘Osteomyelitis’, zei de dokter. ‘Beenmergontstekingen’ zei de hoofdverpleegster.

In oktober 1956 werd ik opgenomen. Toen mijn moeder in december 1956 ging vragen of ik voor de feestdagen thuis zou komen, werd haar gevraagd nog mar een jaartje te wachten. Het kon namenlijk even duren. De dokter snapte het niet helemaal Cees. Hij begreep niet dat ik daar geen tijd voor had. Een vol jaar in een ziekenhuis kon niet. Er moest gevoetbald worden en volgens mij konden mijn vriendjes mij daarbij niet missen. Een half jaar. Was wel genoeg vond ik. Een half jaar was ook genoeg. Wel raar hoor. Ben je inmiddels net veertien jaar oud geworden, moet je weer leren lopen.

Al op jonge leeftijd ben ik gaan werken. Er was thuis geen geld om verder te leren. Moest brood op de plank komen. Gaf niks. Na verschillende baantjes werd ik stratenmaker. Prachtig beroep. Best naar mijn zin.

In 1964 kreeg ik weer last van mijn been. ‘Moet weer geopereerd worden’, zei de arts. Twee maanden ziekenhuis deze keer. Viel me alles mee. Daarna een prachtige tijd tot maart 1971. Was intussen getrouwd. We hadden een dochtertje. Mijn been ging weer zeer doen. ‘Opereren’, zei de specialist.

Juni 1972 kwam ik mijn bed weer uit Cees. Vijftien maanden op bed, waarvan de langste tijd in het ziekenhuis. Thuis komen. Vertel mij wat. Nog wel een half jaar mijn linkerbeen niet belasten, maar daarna mocht ik weer op beide benen staan. Voor de derde keer leren lopen? Doen we toch gewoon. De dokter had het over een mirakel. Volgens hem zou iemand niet kunnen lopen als de verbinding tussen bovenbeen en heup verwijderd was. Onzin. Als men iets erg graag wilt dan lukt het. Dus kon ik het.

‘k Loop wel iets mank, maar dat vertel jij niet verder. Gaat niemand wat aan. Iets tussen ons tweeën.
Kon natuurlijk geen straatjes meer maken. Hoefde niemand mij te vertellen. Zo slim was ik zelf wel. Belde maar eens met het arbeidsbureau. O ja, er waren mogelijkheden tot om- c.q. bijscholing. Of ik goed kon leren? Ging wel dacht ik. Prima vond men. Er werd een afspraak voor me gemaakt met een gerenommeerd psychologisch adviesbureau. Bureau Bokslag in Rotterdam. U bent pienter zei men. Er waren zeker mogelijkheden. Met mijn vooropleiding (bijna niets) moest ik wel een inhaalslag doen. Weg- en waterbouwkundig calculator dacht men aan. Het hoogst haalbare op dat moment. Eerst twee jaar om op mbo-niveau te komen. Even slagen, en dan nog twee jaar om de opleiding op hbo-niveau af te sluiten.

Zo werd ik dus weg- en waterbouwkundig calculator. Intussen was ik in dienst gekomen van de gemeente Spijkenisse. Als calculator. Het beroepskeuzeadvies van de fa. Bokslag was zo slecht nog niet geweest. Bij de gemeente Spijkenisse had ik ook het gevoel dat ik thuiskwam. Kon en mocht me ontwikkelen. Heb ik met alledrie mijn handen aangepakt. Mooie tijd voor een man die eigenlijk in een rolstoel had moeten zitten. In mijn werk presteerde ik tot tevredenheid van mijn superieuren. Inmiddels ben ik sinds jaren budgethouder voor stedenbouw en bewaak de uitgaven voor het grondbedrijf. Heb tekenrecht tot fl. 100.000,00. Maak de begroting voor de afdeling stedenbouw, de exploitaties voor het grondbedrijf en ben op dit ogenblik het aanspreekpunt voor het bedrijfsbureau bij de vakgroepen verkeer en vervoer, stedenbouw en openbare ruimte. Niet slecht voor een stratenmaker, tòch?

Laatst kwam er een functieboek uit. Mochten we onze belangstelling tonen voor misschien wel een nieuwe start. Uiteraard reageerde ik. Bedacht dat ik mijn werk op een bepaalde plaats goed zou kunnen doen. Inschrijven dus. Vlak voor mijn vakantie werd ik voor een gesprek uitgenodigd. De heren. Bijl, Brock en Lugtenburg wilden mijn belangstelling peilen. De heer Bijl zag meer in mij. Vakgroepcoördinator bestekken en aanbestedingen. Of ik maar wilde. Natuurlijk wilde ik. Ik wil toch altijd?

Pas geleden kwam ik van vakantie terug. Of ik even bij dhr. Bijl langs wilde komen voor een praatje. Men had nog wat nagedacht zei hij. Bestekken en aanbestedingen waren toch maar niets voor mij. Moest me eerst nog maar eens een jaartje bewijzen en kon dan misschien alsnog wel vakgroepcoördinator worden. Waarvan precies was nog niet duidelijk. Had iets met mijn achtergrond te maken geloof ik. Zei hij tenminste. Of ik een idee had hoe men tegen iemand met een achtergrond als de mijne aankeek? Letterlijk. Hij schaamde zich niet eens. ‘k Voelde me even niet thuis. Even maar.

Cees. Mijn jongste dochter studeert twintig augustus a.s. af aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Bedrijfscommunicatie letteren. Extra vakken: managementaccounting, statistieken en boekhouden. Met een acht. Haar scriptie gaat over medewerkerswaarde. Lijkt me wel aardig om als bijlage mee te sturen. Zitten nog wat schrijffoutjes in. Moet je maar overheen lezen. Is al gecorrigeerd in de definitieve versie.

Bedrijfscommunicatie, was volgens jou genetisch bepaald.

T©n van Dongen

Dit bericht is geplaatst op 26 mei 1999 om 20:16 in de categorie Algemeen.
Je kunt reacties op dit bericht volgen via de RSS 2.0 feed.
Je kunt naar het eind van dit bericht gaan en een reactie schrijven.
Pingen is momenteel niet toegestaan.

Schrijf een reactie